Twee keepers en een aanspeler. 1 springt over twee heen (bokspringen), in de sprong werpt de aanspeler een bal, deze wordt door 1 afgeweerd, bij de landing een bal li en re afweren, terug naar uitgangspositie. 4x6x
Bal omhoog werpen, koprol, opstaan en bal weer vangen. 2x6x
Vier of vijf banken in een grote cirkel. Keeper springt over de bank (een voet, twee voeten) en maakt daarna afweerbeweging naar centrum van de cirkel waar een pion staat. 2x3x
Twee keepers staan vlak achter elkaar. De voorste werpt een bal omhoog, keeper twee kruipt tussen de benen van 1 door en tracht de bal te vangen voordat deze de grond raakt. Twee werpt nu de bal omhoog, etc. 3x5x
Twee keepers, 1 rolt bal tussen benen van twee door, twee kruipt tussen de benen van 2 door en pakt snel de rollende bal. 3x5x
Twee keepers, 1 rolt de bal tussen de benen van 2 door, springt over hem heen (bokspringen) en haalt bal. 3x5x
Twee keepers.1 werpt bal over 2 heen 1 en springt over twee heen (bokspringen), na de sprong bal onder controle voordat deze de tweede keer de grond raakt. 3x5x
Twee keepers werpen bal omhoog, van plaats wisselen en elkaars ballen vangen. 4x10x
Twee keepers werpen bal omhoog en ondertusen spelen ze met hun voeten een andere bal over. 4x20x
Zitten en ballen vangen en weer terug spelen. Li en re. 4x10x
Liggen en ballen vangen en weer terug spelen. Li en re. 4x10x
Ligsteun ballen li en re afweren met de armen. 4x10
Wing players operate in the most demanding shooting position on a handball court, where acute angles and a close goalkeeper make finishing a specialist skill. This article breaks down the technique, decision-making, and training progressions that coaches need to develop elite wing finishing.
The transition from attack to defence is the most vulnerable moment in handball. This article examines the 3-second recovery principle, the specific roles players must adopt during transition, and the training scenarios that build a team's ability to recover defensive shape under pressure.
Handball demands explosive power, repeated sprint ability, and the strength to compete physically for 60 minutes. Sport-specific conditioning develops the athletic qualities that underpin elite performance.